PRESIDENT GERECHTSHOF ARNHEM AANGESCHREVEN OVER CRIMINEEL GEDRAG OUDERLING ABBINK

HORROR-RECHTSPRAAK: HOE DIEP MOETEN WE ZINKEN VOORDAT EEN ADVOCAAT EEN DERGELIJKE BRIEF MOET SCHRIJVEN AAN DE PRESIDENT VAN EEN GERECHTSHOF? * OM JORIS DEMMINK TE BESCHERMEN WORDEN ALLE BESTAANDE WETTEN EN REGELS BIJ HET GROFVUIL GEZET * STEUN MICHA BIJ HET BESTRIJDEN VAN DE ZWARTE MAFIA EN DE HUIVERINGWEKKENDE HORROR IN DE RECHTSPRAAK

[wp_ad_camp_1]

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
T.a.v. de Edelgrootachtbare Heer
mr A.R. van der Winkel
Postbus 9030
6800 EM ARNHEM

Haarlem, 3 juni 2016

Inzake: Kat/ OM
Parketnr.: 21/ 004090-14

Edelgrootachtbare Heer,

Bij de behandeling door uw Hof van het hoger beroep in bovenvermelde strafzaak tegen mijn cliënt Micha Kat hebben zich zaken afgespeeld die dermate ernstig zijn, dat ik deze bij u onder de aandacht wil brengen.  

De betreffende strafzaak is eind 2013 door het Gerechtshof te Den Haag verwezen naar het Hof Arnhem-Leeuwarden, om aldaar verder te worden behandeld. Nadat de zaak bij Uw Hof terecht was gekomen, werd deze behandeld door de raadsheren H. Abbink als voorzitter, alsmede mr R. de Groot en mr J.W. Rijkers. Het Hof Den Haag had in een tussenarrest bepaalde onderzoekswensen van de verdediging gehonoreerd en besloten dat er bepaalde getuigen zouden moeten worden gehoord en er een bepaald nader onderzoek zou moeten plaatsvinden. Vervolgens werd de zaak echter verwezen naar Uw Hof, omdat een overigens civiele rechter van het Hof Den Haag getrouwd bleek te zijn met de bestuursvoorzitter van het advocatenkantoor Pels Rijcken, die namens dat kantoor aangifte had gedaan in één van de zaken waarvan cliënt wordt verdacht.

Ter voorbereiding op de eerste zitting van uw Hof in december 2014, had ik het Hof een brief gezonden waarin opnieuw werd gevraagd om op zijn minst de betreffende getuigenverhoren en het nadere onderzoek te laten plaatsvinden alvorens de zaak inhoudelijk te behandelen. De raadsheren bleken op de eerste zitting in het geheel niet op de hoogte van het betreffende tussenarrest van het Hof Den Haag en hebben de gevraagde onderzoeken vervolgens ongemotiveerd afgewezen.

Vervolgens is de zaak aangehouden en moest er een datum worden bepaald voor de inhoudelijke behandeling. Op enig moment ben ik door de griffie benaderd over een nieuwe datum voor de inhoudelijke behandeling en werd mij gevraagd of cliënt en ik op 7 augustus 2015 beschikbaar zouden zijn. Omdat mijn vakantieplanning destijds nog niet vaststond en ik bovendien niet wist of cliënt bij de zitting aanwezig zou kunnen zijn, heb ik toen aangegeven vooralsnog niet met die datum te kunnen instemmen. De betreffende medewerker vertelde mij dat ik op een latere datum zou worden teruggebeld over een andere zittingsdatum. Vervolgens heb ik niets meer vernomen, totdat ik in juli 2015 een oproep ontving voor 7 augustus 2015, de datum waarmee ik heel duidelijk niet had ingestemd. Mijn schriftelijke verzoek tot aanhouding werd door mr Abbink geweigerd.

Toen ik vervolgens op 7 augustus ter zitting verscheen, heb ik opnieuw om aanhouding gevraagd, waarbij ik wederom heb opgemerkt dat ik nooit had ingestemd met 7 augustus als datum voor de inhoudelijke behandeling. Ik had met veel moeite 7 augustus alsnog kunnen vrijmaken, maar had de zaak niet met clie2nt kunnen voorbereiden, omdat ik net terug was van vakantie. Raadsheer Abbink trok mijn woorden in twijfel, waarmee hij leek te impliceren dat mijn mededelingen over het telefoongesprek omtrent de geplande zittingsdatum niet op waarheid berustten.

Ook heb ik op die zitting van 7 augustus om aanhouding gevraagd, opdat alsnog de door het Hof Den Haag toegekende onderzoeken en verhoren zouden kunnen plaatsvinden. De raadsheren bleken inmiddels wél op de hoogte te zijn van het tussenarrest van het Hof Den Haag, maar hebben mijn verzoek desondanks ongemotiveerd afgewezen. De doorverwijzing zou volgens het Hof vormvrij zijn en daarmee was er volgens de raadsheren geen reden om alsnog te doen wat het Hof Den Haag eerder had bevolen.

Vervolgens heb ik het Hof gewraakt, waarna in september 2015 een zitting van de wrakingskamer plaatsvond en het wrakingsverzoek werd afgewezen. Uiteindelijk kwam de zaak opnieuw op zitting op 13 mei jl.

Tijdens de zitting van 13 mei vroeg ik het Hof of er film- en geluidsopnemen mochten worden gemaakt, hetgeen door raadsheer Abbink eigenlijk al werd afgewezen voordat ik mijn verzoek goed en wel had kunnen motiveren. Ook na de door mij gegeven toelichting, waarbij ik een beroep deed op de persrichtlijn van De Rechtspraak, bleef het Hof bij de afwijzing, die werd gemotiveerd met de woorden dat het hier ‘een richtlijn’ betreft en ‘geen wet’. Nog los van de vraag of dit op zichzelf acceptabel is, blijkt hieruit een duidelijk gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid. De vastlegging van de zitting in beeld en geluid was voor cliënt van belang, omdat hij niet op de zitting aanwezig was en het daardoor voor hem van belang was in ieder geval achteraf kennis te kunnen nemen van hetgeen zich ter zitting had afgespeeld. Terwijl in sommige zaken juist het belang van de verdachte zich verzet tegen het maken van bepaalde opnamen, was het in deze zaak juist de verdachte die erom vroeg, terwijl er verder geen goede reden te bedenken was waarom opnamen niet zouden mogen plaatsvinden.

Deze ongemotiveerde afwijzing van het verzoek om opnamen te maken heeft opnieuw geleid tot een wrakingsverzoek van de verdediging. Toen ook het tweede wrakingsverzoek was afgewezen, hebben de raadsheren niet gemeend dat het wellicht verstandig was om niet in dezelfde samenstelling door te gaan met de behandeling van de zaak, maar hebben zij gemeend de behandeling van het appèl te kunnen voortzetten. Formeel gesporken kon dat natuurlijk, omdat de wrakingsverzoeken waren afgewezen, maar het is zeer de vraag of dat nu werkelijk een verstandige beslissing is geweest.

Toen vervolgens werd begonnen met de inhoudelijke behandeling, bleek het Hof niet bereid te zijn om uitgebreid stil te staan bij de feiten van deze zaak. Juist omdat cliënt niet ter zitting aanwezig was en derhalve niet kon worden ondervraagd over de verschillende aan deze strafzaak ten grondslag liggende gebeurtenissen, leek het mij als raadsman van belang dat juist wel uitvoerig zou worden stilgestaan bij de verschillende feiten en de bewijsmiddelen, die daaraan volgens het Openbaar Ministerie aan ten grondslag lagen. Wederom werd op geen enkele manier rekening gehouden met dit verdedigingsbelang en wilde het Hof snel door de feiten heen, hetgeen overigens al meteen na de hervatting van de zitting met zoveel worden door mr Abbink was aangekondigd. Na overleg met cliënt heb ik daarop besloten de verdediging neer te leggen, omdat cliënt en ik geen enkel vertrouwen meer hadden in de verdere behandeling van de zaak door het Hof in deze samenstelling. Ik heb de zittingszaal dan ook verlaten. 

Uit het arrest bleek mij vervolgens, dat de Advocaat-Generaal met betrekking tot vier onderdelen van de tenlastelegging had gerequireerd tot vrijspraak, waarna het Hof de betreffende onderdelen desondanks en wederom met magere motivering alsnog bewezen heeft.

Wat cliënt betreft komt uit de gehele hierboven geschetste gang van zaken naar voren dat het Hof met een grote mate van “tunnelvisie” naar zijn zaak heeft gekeken en dat zijn veroordeling al vaststond nog voordat de zitting moest beginnen.

Namens cliënt heb ik beroep in cassatie ingesteld. Dat neemt echter niet weg dat ik graag van u als president van het Hof verneem of u deze gang van zaken acceptabel acht en in lijn met het recht van mijn cliënt op een onafhankelijke, onpartijdige en openbare behandeling van zijn strafzaak.  

Hoogachtend,

T.J. Stapel

2 Replies to “PRESIDENT GERECHTSHOF ARNHEM AANGESCHREVEN OVER CRIMINEEL GEDRAG OUDERLING ABBINK”

  1. Hallo Pis Poes, waar is je reactie nu over dat huisvuil.In beginsel heb ik voor iedereen respect, maar als een advocaat een brief schrijft aan een smeerlap over een smeerlap,
    want deugen doet geen een lid van de rechtsmacht, dat heb ik zelf jarenlang ondervonden.
    De meeste misdrijven worden door de rechtsmacht zelf gepleegd. Zo maken 500 mensen per jaar een einde aan hun leven door willens en wetens smerige beslissingen van rechters, het openbaar ministerie en aan dat alles verbind onze koning zijn naam
    “IN NAAM DES KONINGS” Zie ook: http://www.rechtmachtmisbruik.com

Geef een antwoord